Zijn de 10-14 scholen een antwoord op de toenemende kansenongelijkheid in het onderwijs?
Door: Marilse Eerkens
Interview met Mariël van Loenen projectleider ‘Netwerk 10-14 onderwijs’
Op de 10-14 scholen leren kinderen geleidelijk wennen aan het voortgezet onderwijs en krijgen ze langer de tijd om uit de verf te komen. Dit vergroot hun kans om op het schoolniveau terecht te komen dat echt bij hen past. “Kinderen, en zeker migrantenkinderen, worden vaak nog helemaal niet gezien voor wat ze waard zijn. Geef deze leerlingen meer tijd en meer kansen om zich verder te ontwikkelen. ”
‘Het is echt een sprookje. Kinderen veranderen niet in één zomervakantie van een kind dat het totaal niet aankan om les te krijgen van verschillende leerkrachten, in een leerling die dat volstrekt vanzelfsprekend vindt’.
Mariël van Loenen is merkpaar bevlogen als ze praat over ‘10-14 onderwijs’, een netwerkorganisatie waar zij sinds augustus van dit jaar projectleider van is. Ze vindt dat we op dit moment niet zorgvuldig genoeg omgaan met de harde overgangen waar schoolgaande kinderen doorheengaan; of het nou gaat om de overgang van peuter naar kleuter of van basisschoolkind naar leerling in het voortgezet onderwijs. Dat kan en moet volgens haar beter. Niet alleen omdat je daarmee kunt zorgen voor een zachtere landing, maar ook omdat een grote groep kinderen dan beter tot z’n recht zou komen.
“Het project 10-14 is feitelijk een verzameling van scholen die elkaar gevonden hebben in hun frustratie over het feit dat het huidige systeem een grote groep kinderen geen recht doet; ze worden te vroeg geselecteerd voor een vervolgopleiding en worden in één klap blootgesteld aan een veel minder persoonlijke vorm van onderwijs waarin ze de kans lopen om te verdrinken. De scholen besloten het daarom anders te gaan doen. Ze creëerden een afdeling waar kinderen al in groep zeven terecht kunnen en waar ze pas na de tweede klas vastgepind worden op een onderwijsniveau waar ze eindexamen in gaan doen.”
De achterliggende gedachte is dat kinderen zich in een heel verschillend tempo ontwikkelen. De 10-14 scholen zijn er van overtuigd dat je op elf -jarige leeftijd het niveau van een kind nog niet definitief kan bepalen. Sterker: ze stellen dat het te vroeg labelen van kinderen kan leiden tot een afremming van hun ontwikkeling. Door kinderen niet te snel een stempel op te plakken geef je ze de ruimte om beter te worden in de vakken waar ze nog niet helemaal uit de verf komen. “Het kan bijvoorbeeld zijn dat een kind op sommige vakken een havo-niveau heeft maar op een ander vak nog een TL-er is”, zegt Van Loenen. “Als je met zo’n kind gaat oefenen kan het zomaar dat hij toch naar de havo kan. We doen nu net alsof het heel duidelijk is in welk van de zeven hokjes van het voortgezet onderwijs een kind past, maar onderzoek laat zien dat kinderen veel minder van elkaar verschillen dan we denken. De slechtst presterende vwo-er scoort soms net zo goed als een goed presterende leerling op het vmbo-TL bijvoorbeeld.”
Wat volgens Van Loenen nog een ander voordeel is van de 10-14 scholen, is dat kinderen profiteren van het beste uit twee werelden. Ze krijgen vaker te maken met echte vakdocenten – wat lessen meer diepgang geeft- én krijgen de warme aandacht die ze gewend zijn van de basisschool. Dat laatste komt omdat er op de 10-14-scholen vaak gewerkt wordt met teams die intensiever betrokken zijn bij de leerlingen dan op de traditionele scholen in het voortgezet onderwijs. Daardoor signaleren ze bijvoorbeeld sneller bepaalde veranderingen in gedrag of in de prestaties van leerlingen en kunnen ze op tijd en meer gericht de juiste ondersteuning bieden. “Door de intensieve begeleiding die kinderen krijgen tot hun veertiende, leren ze eigenlijk heel geleidelijk om te gaan met huiswerk, met het plannen van hun werk, met vragen stellen en zelf de verantwoordelijkheid nemen. Omdat de teams veel tijd uittrekken voor het aanleren van deze vaardigheden beklijven ze veel beter dan wanneer je een eenmalig les in ‘plannen’ of ‘ hoe moet ik huiswerk maken’ aanbiedt. En daarmee komen de kinderen van de 10-14 school veel beter beslagen ten ijs als ze eenmaal los worden gelaten in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Tegen die tijd hebben ze niet alleen een cognitieve ontwikkeling doorgemaakt maar ook een belangrijke persoonlijke.”
Van Loenen realiseert zich dat er ouders zijn die zich zorgen maken over het aangeboden lesniveau op de 10-14 scholen- past dat wel bij het niveau van hun kind? “Die zorg is echt niet nodig. Op deze scholen worden gedifferentieerde lessen aangeboden. Kinderen die makkelijk leren krijgen bijvoorbeeld andere instructies dan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. En dat kan, zoals gezegd, per vak verschillen. Daardoor krijgt iedereen de kans om verder te komen en eruit te halen wat erin zit.”
De bevlogenheid van Van Loenen voor eerlijkere kansen in het onderwijs komt niet uit de lucht vallen. Al op de basisschool viel het haar op dat er een kloof was tussen ‘de elite’ en ‘de gemiddelden’. “Ik had bijvoorbeeld een jongen in de klas wiens vader boer was. Die kreeg sowieso een mavo-advies. Er werd amper gekeken naar wat ie kon. Maar die jongen zat binnen twee jaar op het atheneum. Hetzelfde verhaal kan ik over mezelf vertellen. Ik behoorde ook niet tot de elite en kreeg dus ook een mavo-advies. Later moesten ze toegeven dat ik veel meer aan kon.”
Van Loenen besloot docent te worden, werd al snel coördinator van de bovenbouw en later schoolleider. Nu legt ze zich vooral toe op het managen van grote projecten. “Ik ben erg geïnteresseerd in het managen van veranderingen op scholen. En daarbij ligt mijn hart bij het verminderen van kansenongelijkheid. Het later selecteren van kinderen speelt daarin een hele belangrijke rol. Kinderen, en zeker migrantenkinderen, worden vaak nog helemaal niet gezien voor wat ze waard zijn. Geef deze leerlingen meer tijd en meer kansen om zich verder te ontwikkelen. Dan is iedereen beter af.”
Bron: Laterselecteren.nu