Waarom worden kinderen in Nederland al ruim zeventig jaar op hun twaalfde geselecteerd voor vervolgonderwijs?

jaren-50-2

Door: Laters

In de jaren vijftig vond vrijwel iedereen het vanzelfsprekend dat kinderen op hun twaalfde naar de mulo, de hbs of het gymnasium gingen, of helemaal niet doorleerden. Dat arbeiderskinderen minder vaak doorstroomden, zag men als een ‘natuurlijke’ selectie. Tegelijk vond men in die jaren van wederopbouw dat Nederland geen talent mocht verspillen, want het land had meer hoogopgeleide burgers nodig om vooruit te komen.

In de jaren zestig werd het stelsel flink herzien. De Mammoetwet bracht mavo, havo, vwo en de brugklas, en in 1968 kwam de Cito-toets erbij. Het selectiemoment rond twaalf jaar bleef wel bestaan.

Minister Van Kemenade probeerde in de jaren zeventig de selectie uit te stellen met de middenschool. Het debat daarover polariseerde sterk: progressieve partijen zagen er een middel tegen ongelijkheid in, terwijl conservatieve en confessionele partijen vreesden voor nivellering en kwaliteitsverlies. Verder dan een aantal experimenten kwam het niet.

In de jaren tachtig verschoof de aandacht naar kwaliteit en efficiëntie. Scholen kregen meer vrijheid om zelf te bepalen hoe ze adviseerden, waardoor de verschillen tussen scholen groter werden en de ongelijkheid toenam.

In de jaren negentig werd de Cito-toets de standaard bij het schooladvies. Debatten over ‘zwarte scholen’ en segregatie brachten kansengelijkheid terug op de agenda. De basisvorming (1993) maakte de onderbouw gemengder, maar de selectie rond 11 à 12 jaar bleef bestaan. Omdat scholen steeds meer met elkaar concurreerden, werden toetsscores ook belangrijk voor hun reputatie.

Vanaf 2003 lieten PISA-onderzoeken steeds opnieuw zien dat Nederland hoog scoort, maar ook relatief veel sociale ongelijkheid kent. De Onderwijsraad waarschuwde dat vroege selectie vooral nadelig is voor kinderen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status. Uit onderzoek bleek bovendien dat kinderen van theoretisch geschoolde ouders vaker een hoger advies krijgen dan hun toetsscore rechtvaardigt.

Sinds 2015 is de eindtoets verplicht en moeten scholen hun advies heroverwegen als de score hoger uitvalt. Ook daarna bleven leerlingen met vergelijkbare scores verschillende adviezen krijgen, afhankelijk van hun achtergrond.

In 2021 adviseerde de Onderwijsraad om later te selecteren en beter te differentiëren, en in 2025 pleitten de PO-Raad en VO-Raad voor een funderende fase tot ongeveer vijftien jaar. Staatssecretaris Paul koos datzelfde jaar toch voor geen stelselwijziging.

Doordat we zo vroeg selecteren, hangt de plek waar een kind terechtkomt vaak sterk samen met de omgeving waarin het opgroeit. Kinderen uit gezinnen met minder geld of een migratieachtergrond komen vaker in beroepsgerichte leerwegen terecht, en leerlingen met een lagere sociaaleconomische status worden structureel lager geadviseerd dan hun scores rechtvaardigen. Volgens de PO-Raad (2025) vergroten de toetsen de verschillen eerder dan dat ze die verkleinen, en helpt de verplichte bijstelling vooral kinderen die al kansrijk opgroeien.

In de jaren vijftig wilde Nederland geen talent verspillen, omdat het land hoogopgeleide burgers nodig had. Zeventig jaar later laten we dat talent nog steeds liggen, bij kinderen die structureel te laag worden geadviseerd en op hun twaalfde al op een spoor worden gezet dat moeilijk te verlaten is. In Nederland selecteren we kinderen te vroeg, en dat werkt kansenongelijkheid in de hand.

Deze post is gebaseerd op de tijdlijn van het politieke debat over later selecteren, van 1950 tot nu. Je vindt de volledige tijdlijn, met bronnen per decennium, op onze pagina Politiek:
👉 https://laterselecteren.nu/politiek/

Andere artikelen