BNR’s Big Five over Onderwijs: Vijf stemmen, één conclusie: selecteer later

BNR Big Five

Door: BNR

De politiek ziet de noodzaak tot verandering in toenemende mate in, maar we moeten hem wel even inkoppen de komende tijd

Een leraar van het jaar, een Kamerlid, een ervaringsdeskundige, een sectorvoorzitter en een onderwijspedagoog. Vijf gasten van de podcastreeks BNR Big Five kijken in de week van 24 tm 28 augustus 2026, elk vanuit hun eigen positie naar het basisonderwijs, en komen, ieder vanuit hun eigen invalshoek uit bij hetzelfde knelpunt: het selectiemoment op twaalfjarige leeftijd. 

Wij schreven een artikel gebaseerd op de vijf afleveringen van de podcastreeks BNR’s Big Five waar Roos Braam, Marjolein Moorman, Karim Amghar, Freddy Weima en Jan Jaap Hubeek om de beurt als gast aanschuiven. Alle afleveringen kun je hier terugluisteren.  

Doorbreken van oude patronen vraagt om groot denken en kleine stappen tegelijk

Kamerlid Marjolein Moorman is er duidelijk over: kinderen worden vanaf hun twaalfde al op meerdere niveaus ingedeeld voor het voortgezet onderwijs. De doorstroom tussen verschillende onderwijsrichtingen is in de praktijk helemaal niet zo makkelijk. Wat volgens haar dan weer leidt tot segregatie en kansenongelijkheid, vooral voor kinderen uit minder bevoordeelde gezinnen. Als tegenvoorbeeld noemt ze de onderwijssystemen in Scandinavische landen die later selecteren en daarbij betere resultaten behalen terwijl er tegelijkertijd minder stress bij leerlingen is. Tegelijk is daar ook minder ongelijkheid tussen scholen te zien. Moorman pleit daarom voor een staatscommissie die een concrete route uitstippelt naar latere selectie, in te voeren vóór 2035. De maatschappelijke winst van beter onderwijs is groot voor het hele land.

Ook Karim Amghar schuift aan als gast. Als docent, schrijver en ervaringsdeskundige op het gebied van onder advisering, pleit hij expliciet voor het afschaffen van vroege selectie op twaalfjarige leeftijd. Volgens hem veroorzaakt dit onnodige stress bij de leerlingen. Hij bepleit selectie op zijn vroegst op veertienjarige leeftijd, gecombineerd met brede brugklassen, zodat kinderen meer ruimte krijgen voor bredere ontwikkeling. 

De politiek ziet de noodzaak tot verandering in toenemende mate in, maar we moeten hem wel even inkoppen de komende tijd

Freddy Weima is voorzitter van de PO-raad, de branche- en sectorvereniging die in Nederland de gemeenschappelijke belangen behartigt van schoolbesturen in het primair onderwijs. Hij sluit zich aan bij de gedachte van later selecteren en noemt dat latere selectie, bijvoorbeeld op 14- tot 15-jarige leeftijd, wenselijk is. Omdat vroege selectie kinderen onrecht doet door de beperkte ontwikkeltijd en de scherpe scheiding tussen onderwijsniveaus. Er is groeiend politiek besef dat toetsing en selectie moeten worden aangepast, maar echte veranderingen blijven uit. Veranderingen zullen geleidelijk moeten plaatsvinden volgens Weima. Hij ziet bredere brugklassen (10-14 jaar) als mogelijke tussenstap maar erkent dat die nu onvoldoende beschikbaar zijn.

Een meer pedagogische onderbouwing wordt door Jan Jaap Hubeek ingebracht. In zijn rol als directeur van onderwijsorganisatie NIVOZ vertelt hij dat kinderen meer tijd krijgen om zich te ontwikkelen en vakken op verschillende niveaus te volgen op scholen waar pas later wordt geselecteerd. Hij is kritisch op het huidige systeem, dat kinderen op jonge leeftijd al “in hokjes” plaatst, en pleit voor differentiatie binnen de klas als alternatief. Dit om de leerlijn van kinderen niet te onderbreken, en om kinderen met verschillende leertempo’s langer bij elkaar in de klas te laten zitten. De toekomst van het onderwijs vraagt moed en visie volgens Hubeek: Stop met vroege selectie, focus op het hele kind, en vernieuw schoolcultuur voor fundamentele verbetering van onderwijs. We moeten zorgen voor een professionele, kindgerichte schoolcultuur met een duidelijke visie. Dit is niet alleen beter voor het kind; het trekt ook leraren aan en verbetert het onderwijs als systeem.

Onderadvisering: als je hoge score toch niet genoeg is

Waar de bestuurders en de onderzoeker vooral het systeem beschrijven, brengt Karim Amghar een persoonlijk perspectief in. Hij deelt hoe hij ondanks een hoge Cito-score toch een lager schooladvies kreeg, wat zijn zelfbeeld en gedrag beïnvloedde. Hij plaatst die ervaring in een breder patroon van structurele onderadvisering, waarbij externe factoren zoals de thuissituatie vaak bepalender zijn voor iemands kansen dan inzet alleen. Amghar stelt voor de waardering van vakken als gym en handarbeid om te draaien, zodat talent in het beroepsonderwijs beter erkend wordt. 

Een groeiende kloof tussen scholen

Meerdere gasten signaleren dat de kloof tussen sterke en zwakke scholen groter wordt. Freddy Weima wijst op groeiende verschillen tussen scholen: goede scholen in wijken waar veel met mensen wonen met een sociaaleconomische positie presteren steeds beter. Terwijl zwakkere scholen achterblijven, een verschil dat ook door de OESO wordt bevestigd. Karim Amghar signaleert hetzelfde patroon en koppelt het aan armoede als onderliggende factor. Hij wijst bovendien op de explosief gestegen bijlesuitgaven: van 26 miljoen euro in 2000 naar 520 miljoen euro nu, die laat zien dat bijles steeds meer is genormaliseerd. Tegelijkertijd werkt dit als een factor die de ongelijkheid tussen kinderen uit rijke en arme gezinnen verder vergroot. 

Jan Jaap Hubeek voegt daar een verklaring aan toe die dichter bij de ouders zelf ligt. En noemt dat segregatie volgens hem mede versterkt wordt door angst bij ouders en hun de vrees dat hun kind niet optimaal presteert in een gemengde klas. Terwijl onderzoek volgens hem laat zien dat kinderen in gemengde niveaugroepen wel degelijk hun eigen talenten kunnen ontwikkelen. Hij verzet zich tegen het onterecht labelen van kinderen als “havo-kind” of “vmbo-kind”.  

Marjolein Moorman benadert kansenongelijkheid vanuit een ander perspectief: dat van gerichte investeringen. “Ongelijk investeren voor gelijke kansen” noemt ze haar belangrijkste speerpunt. Ze noemt initiatieven die bewezen effectief zijn geweest. Zoals extra salarissen voor leraren in wijken waar veel kansenongelijkheid voorkomt. Dit heeft eerder het lerarentekort in gebieden als Amsterdam-Nieuw-West teruggedrongen. Maar de Amsterdamse familiescholen die schuldhulp, opvoedondersteuning en taalhulp integreren, is zo’n voorbeeld.  

Roos Braam brengt het gesprek terug naar de klas: ze stelt dat sommige kinderen thuis geen toegang hebben tot cultuur, sport en techniek, en dat de school dat gemis moet compenseren. Vakintegratie en samenwerking met externe partners, zoals Meer Muziek in de Klas, moeten dat gat helpen dichten. 

Later selecteren vanuit verschillende perspectieven

Wat opvalt wanneer je de vijf gesprekken naast elkaar legt, is dat het pleidooi voor later selecteren niet uit één hoek komt. Het is niet alleen een politiek standpunt van een Kamerlid, of alleen de persoonlijke ervaring van iemand die het systeem aan den lijve ondervond. Het is een lijn die terugkomt bij de sectorvoorzitter die de cijfers kent, de onderzoeker die de pedagogiek onderbouwt, en de politicus die het beleidsmatig wil vastleggen. Vier van de vijf gasten noemen expliciet dat selectie op twaalfjarige leeftijd te vroeg is en kansenongelijkheid versterkt, en pleiten, elk vanuit hun eigen ervaring, voor een systeem waarin kinderen langer de tijd krijgen om zich te ontwikkelen voordat hun onderwijsniveau wordt bepaald. 

Bron: BNR

Andere artikelen