1990-2000
In de jaren negentig groeit de rol van de Cito-eindtoets. De toets wordt de standaard voor het bepalen van het schooladvies aan het einde van de basisschool en fungeert formeel als objectief hulpmiddel bij adviesvorming (Cito. z.d. Geraadpleegd 3 maart 2026).
Kansengelijkheid staat in deze jaren nadrukkelijk op de politieke en publieke agenda. Dat heeft alles te maken met de vele debatten die worden gevoerd over zogenaamde βzwarte scholenβ en schoolsegregatie. Sociaal-culturele en etnische samenstelling van scholen blijkt van invloed op de toegang tot verschillende onderwijsniveaus. Wat weer vragen oproept over selectiepraktijken en of hier geen sprake is van discriminatie (SCP, 2024).
De invoering van de basisvorming in het voortgezet onderwijs in schooljaar 1993-1994, zorgt voor meer heterogeniteit in de onderbouw. Het formele selectiemoment rond 11/12 jaar blijft echter bestaan, waardoor vroegtijdige selectie en doorstroomproblemen in stand blijven (Onderwijsraad, 2010).
Daarnaast zetten discussies over schoolkeuzevrijheid de deur open voor toenemende concurrentie tussen scholen. Eindtoets- en examencijfers worden steeds belangrijker voor de reputatie van de school. (van de Werfhorst, 2019).
Deze ontwikkelingen laten zien dat de sociaal economische achtergrond van kinderen ook in de jaren negentig van invloed blijven op de selectie voor het voortgezet onderwijs. Ondanks bredere inzet van de Cito-toets en beleidsmaatregelen zoals de Basisvorming.