1960-1970: Systeem op de schop

jaren-60

In de jaren zestig verandert het Nederlandse onderwijs ingrijpend. Steeds meer kinderen, ook uit lagere sociale klassen, krijgen toegang tot het voortgezet onderwijs. Deze groei maakt de vraag naar eerlijke en objectieve selectie urgenter. Er ontstaat kritiek op subjectieve schooladviezen, die mede beïnvloed worden door sociale achtergrond (Janssen, 2015).

In deze context ontwikkelt Adriaan Dingeman de Groot de Amsterdamse Schooltoets: een objectieve eindtoets voor basisschoolleerlingen. De toets moet het schooladvies minder afhankelijk maken van het oordeel van de leerkracht en meer baseren op capaciteiten. Geïnspireerd door Amerikaanse multiplechoice-toetsen wil De Groot kansen vergroten voor kinderen uit alle milieus (Wiertsema, 2021).

Tegelijk verschuift het denken over selectie. Waar selectie eerst vooral als ‘zeef’ werd gezien, groeit het idee dat toetsing juist kan bijdragen aan eerlijkere kansen (Andere Tijden, 2018).

Met de invoering van de Wet op het voortgezet onderwijs (1963), beter bekend als de Mammoetwet, wordt het systeem grondig herzien. Schooltypen als mulo, hbs en gymnasium maken plaats voor mavo, havo en vwo. De nieuw geïntroduceerde brugklas moet het makkelijker maken om door te stromen naar een ander schoolniveau dan werd geadviseerd op de basisschool. Met name de kinderen uit de lagere sociaaleconomische milieus zouden hierdoor eerlijkere kansen krijgen. Toch blijft selectie rond het twaalfde levensjaar bestaan.

In deze tijd tonen onderwijssociologen aan dat leerlingen met gelijke capaciteiten toch nog vaak verschillende adviezen krijgen. Welk advies dat is, blijkt grotendeels af te hangen van de achtergrond van de kinderen. Dit wijst erop dat het bestaande systeem nog steeds ongelijkheid in stand houdt (Janssen, 2015). Tegen het einde van het decennium wordt kansengelijkheid een expliciet beleidsthema, mede onder invloed van internationale discussies over meritocratie.

In 1968 wordt de Cito-eindtoets ingevoerd als landelijke toets in het basisonderwijs. Deelname is aanvankelijk vrijwillig. De toets moet het schooladvies van leerkrachten ondersteunen en bijdragen aan kansengelijkheid door een meer objectieve meting van vaardigheden (Jacques Dane, 2016).