1980-1990: Van kansengelijkheid naar kwaliteitsverbetering
In de jaren tachtig verschuift de focus in het Nederlandse onderwijs van expliciete kansengelijkheid naar kwaliteitsverbetering en efficiรซntie. Sociale rechtvaardigheid staat in deze periode minder prominent op de politieke agenda (Onderwijsraad, 2010).
Het gebruik van de Cito-toets raakt steeds meer ingeburgerd op de basisscholen. De toets wordt vooral gebruikt als hulpmiddel voor het bepalen van het schooladvies. De afname is nog niet verplicht. Scholen verschillen ook sterk in de mate waarin ze de resultaten meewegen bij hun advies (Jacques Dane, 2016)
In deze periode begint geleidelijk aan tot meer mensen door te dringen dat de sociale samenstelling van verschillende onderwijsrichtingen erg verschilt. Wat opvalt is dat beroepsgerichte leerwegen, zoals lbo en mavo, relatief vaker leerlingen trekken uit gezinnen met minder financiรซle en sociale middelen of met een migratieachtergrond. Kinderen uit gezinnen met meer kapitaal volgen juist weer vaker theoretische richtingen (Borghans & Diris, 2018).
Parallel aan dit toenemende bewustzijn groeit de politieke aandacht voor de autonomie van scholen. Scholen krijgen nu veel meer ruimte om zelf te bepalen hoe ze kinderen toetsen en selecteren voor het vervolgonderwijs. Deze vrijheid heeft tot gevolg dat scholen enorm verschillen in de manier waarop ze kinderen een schooladvies geven – iets dat de kansenongelijkheid weer versterkt (Werfhorst, 2019). Door deze combinatie van brede toetsinvoering, groei van beroepsgerichte leerwegen en toenemende schoolautonomie wordt zichtbaar hoe structurele factoren en beleidskeuzes samenhangen met ongelijkheid in het onderwijs.