1950-1960: Wederopbouw en ordening
Van 1950 tot en met 1959 staat het Nederlandse onderwijs in het teken van wederopbouw Γ©n ordening. Dat kinderen op hun twaalfde geselecteerd worden om wel of geen voortgezet onderwijs te volgen – in die tijd de mulo, de hbs of het gymnasium- is voor de meeste mensen vanzelfsprekend. Maar je hoort ook al wat voorzichtige kritiek: sommige pedagogen en onderwijskundigen stellen dat sociale afkomst een te belangrijke rol speelt bij het bepalen van de schoolloopbaan van leerlingen.
Die kritiek komt niet uit de lucht vallen. Kinderen uit hogere sociale milieus stromen inderdaad relatief vaker door naar de mulo en de hbs, dan kinderen uit arbeidersgezinnen. In beleidskringen wordt dit grotendeels gezien als een βnatuurlijkeβ selectie: verschillen in doorstroom zouden het gevolg zijn van aanleg en thuismilieu. Ongelijke uitkomsten worden dan ook nauwelijks als een systeemprobleem beschouwd (Marchand, 2014). Wel vond men in deze periode van wederopbouw dat we geen talent moesten verspillen. Als Nederland vooruit wil, dan heeft zij meer hoogopgeleide burgers nodig. (Janssen, M. 2015)
Om de selectie voor het vervolgonderwijs eerlijker te maken worden steeds vaker toetsen gebruikt. Onderzoekers introduceren ‘systematisch psychotechnische tests’ om de schoolkeuze te onderbouwen (Jacques Dane, 2016).
Ook is er steeds meer belangstelling voor een landelijke, objectieve eindtoets aan het einde van de lagere school. Zoβn toets zou alle leerlingen langs dezelfde meetlat leggen en daarmee sociale ongelijkheid kunnen tegengaan. In deze periode blijft dit echter vooral een onderwerp van onderzoek en debat; landelijk beleid blijft uit.
De jaren vijftig tonen daarmee een dubbel beeld: groeiend vertrouwen in objectieve toetsing, naast een brede acceptatie van vroege en sociaal gekleurde selectie. (Janssen, M. 2015)