2010-2020
In het decennium 2010β2019 is de sociale ongelijkheid nog steeds opvallend zichtbaar in de scores op de eindtoetsen. Analyses van het vakblad ESB (Economisch Statistische Berichten) laten zien dat leerlingen met vergelijkbare scores, verschillende schooladviezen ontvangen en dat deze verschillen afhangen van hun sociaal-economische achtergrond. Dit wijst op een systematische onderadvisering van leerlingen met een lagere sociaal economische status (ESB 2021)
Om de kansengelijkheid te vergroten, wordt in 2015 de centrale eindtoets (Cito of alternatief) wettelijk verankerd als verplichte toets. Deze toets dient onder meer als objectieve controle op het schooladvies (Onderwijsraad, z.d.). Tegelijkertijd wordt bepaald dat scholen hun gegeven schooladvies moeten heroverwegen als de eindtoetsscore hoger is dan het oorspronkelijke advies. Op deze manier zal onderadvisering tegen worden gegaan, zo is de gedachte (Borghans & Diris, 2018).
Gevoed door diverse edities van βDe Staat van het Onderwijsβ (Inspectie van het Onderwijs) en rapporten van de Onderwijsraad, verschuift het publieke en politieke onderwijsdebat steeds nadrukkelijker naar kansenongelijkheid. Er worden weer vaker discussies gevoerd over het belang van brede brugklassen en over doorstroomroutes van vmbo naar havo. Terugkerend argument is dat de harde selectie op 12-jarige leeftijd onrechtvaardig is.
Deze ontwikkelingen illustreren dat, ondanks wettelijke verankering van de eindtoets en bijsturingsprocedures, sociale achtergrond en institutionele factoren een bepalende rol blijven spelen in de onderwijsloopbaan van leerlingen.