2000-2010: Hoge scores, maar grote sociale ongelijkheid
In de periode 2000β2009 laait het debat over vroegtijdige selectie in het Nederlandse onderwijs opnieuw op. Internationale vergelijkingen zoals OECD en PISA laten in 2003 voor het eerst, en in de opvolgende edities steeds opnieuw zien dat Nederland goed presteert op cognitieve vaardigheden, maar relatief veel sociale ongelijkheid kent in onderwijsresultaten (Pisa, 2003).
De Onderwijsraad benadrukt in verschillende adviezen dat vroege selectie nadelig is voor leerlingen die een hoger risico lopen op kansenongelijkheid. Dat geldt in het bijzonder voor kinderen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status (Onderwijsraad, 2010).
Ondertussen ontstaan er flinke meningsverschillen over de rol van de Cito-eindtoets. Enerzijds wordt de toets gezien als een instrument om kansengelijkheid te bevorderen; anderzijds wordt kritiek geuit op βteaching to the testβ en de toenemende prestatiedruk op leerlingen (Didactief Online, 2013).
Onderzoek wijst bovendien uit dat kinderen van theoretisch geschoolde ouders vaker een hoger schooladvies krijgen dan hun toetsresultaten rechtvaardigen, terwijl leerlingen van praktisch geschoolde ouders juist structureel lager worden geadviseerd (Borghans & Diris, 2018).
Daarnaast betrekt de Inspectie van het Onderwijs toetsresultaten steeds zwaarder bij het oordeel over scholen. Dit legt indirect druk op advies- en selectiepraktijken, omdat scholen zich profileren op basis van scores en doorstroompercentages (van de Werfhorst, 2019).
Deze ontwikkelingen laten zien dat, ondanks de inzet van landelijke toetsen, sociale achtergrond en institutionele prikkels nog steeds een grote rol spelen bij het selecteren en adviseren van kinderen. Ook in dit decennium blijft de kansenongelijkheid hardnekkig overeind.