Differentiatie tussen klassen in het voortgezet onderwijs
Door: Denessen, E. & Boeijen, T.
Differentiëren op basis van eerdere leerprestaties is in Nederland en in veel andere landen gangbaar, al ziet differentiatie er in verschillende onderwijsstelsels anders uit. Onderwijsstelsels die verschillen in differentiatie tussen klassen, hebben verschillende effecten op de loopbanen van leerlingen. Zowel wat betreft hun cognitief functioneren (leerprestaties) als hun niet-cognitief functioneren (bv. socialisatie, motivatie). Differentiëren naar niveau binnen het Nederlandse voortgezet onderwijs is al lange tijd onderwerp van discussie. De vraag is of differentiatie tussen klassen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs bijdraagt aan meer of juist minder kansenongelijkheid. In dit overzichtsartikel bespreken we de discussie rondom niveaudifferentiatie en argumenten voor en tegen niveaudifferentiatie. Vervolgens presenteren we resultaten uit internationaal vergelijkend onderzoek en Nederlands onderzoek naar de effecten van niveaudifferentiatie op de cognitieve en niet-cognitieve uitkomsten van leerlingen.
Samenvatting
In Nederland is het voortgezet onderwijs sterk gedifferentieerd: leerlingen worden al rond hun 12e op basis van een schooladvies verdeeld over verschillende typen brugklassen (van praktijkonderwijs tot vwo). Dat advies hangt samen met prestaties, gedrag en motivatie in groep 8, en kan nog worden bijgesteld na de eindtoets.
Scholen richten hun brugklassen op verschillende manieren in. Er zijn smalle brugklassen met één niveau, dakpanklassen met twee niveaus en brede brugklassen met drie of meer niveaus. Ook verschilt hoelang leerlingen in zo’n heterogene brugklas blijven: sommige scholen differentiëren al na één jaar, andere pas na twee of drie jaar.
De kernvraag in het artikel is of differentiatie tussen klassen – dus het scheiden van leerlingen naar niveau – bijdraagt aan meer of juist minder kansenongelijkheid. Dit speelt vooral omdat leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus en bepaalde minderheidsgroepen oververtegenwoordigd zijn in de lagere niveaus. De leermogelijkheden zijn daar beperkter dan in bijvoorbeeld vwo-klassen, waardoor deze leerlingen een dubbele achterstand kunnen ervaren.
Er worden argumenten vóór en tegen niveaudifferentiatie besproken. Voorstanders stellen dat homogene klassen het lesgeven overzichtelijker maken: de docent kan tempo en inhoud beter afstemmen op een relatief gelijke groep, wat ook het zelfbeeld van zwakkere leerlingen kan beschermen. Ook zou het een rustiger klasklimaat kunnen geven.
Tegenstanders wijzen erop dat differentiatie de kansen van juist de zwakkere en sociaal kwetsbare leerlingen kan verkleinen, omdat zij in minder veeleisende leeromgevingen terechtkomen en minder profiteren van sterke medeleerlingen. Ook versterkt vroege selectie sociale segregatie. Recente studies laten zien dat brede of gemengde brugklassen kunnen werken als een “veiligheidsklep”: leerlingen krijgen langer de tijd om te laten zien wat ze kunnen en hebben meer kansen om op te stromen.