Stop met categoriseren, richt je liever op de roedel
Ons schoolsysteem spreekt vooral het roof- en het prooidier in onszelf aan, vindt emeritus-hoogleraar filosofie Jan Bransen. Waar we naar toe moeten is een systeem waarin ons innerlijke roedeldier wordt ontwikkeld. “Als je kinderen indeelt in een bepaalde categorie dan gaan ze zichzelf er mee identificeren: ‘we zullen eens laten zien hoe dom we zijn’”
Met boektitels als ‘Gevormd of vervormd?’ en ‘Homo Educandus, Why Our School System is Broken and What We Can Do About It’ behoort emeritus-hoogleraar filosofie Jan Bransen tot de groep onderwijsdenkers die vindt dat het huidige onderwijssysteem niet het beste in kinderen naar boven haalt. Een terugkerend thema in het werk van de voormalig leider van het ‘Radboud Teaching en Learning Centre’ is dat onderwijs nu te veel een afspiegeling is van onze neoliberale samenleving: het wakkert vooral de concurrentie tussen leerlingen aan en heeft maar amper oog voor het grote belang van gelijkwaardig menselijk contact – ook tussen leraar en leerling. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Bransen kritisch is over een onderwijsstelsel waarin kinderen al vroeg te horen krijgen in welk onderwijshokje ze het beste passen. Als het aan hem ligt schaffen we die harde knip tussen het basis- en voortgezet onderwijs zelfs helemáál af.
“Dat wij het primair- en voortgezet onderwijs van elkaar hebben gescheiden vind ik echt een vergissing”, zegt hij van achter zijn kop koffie op een lenteochtend in zijn huis in Maarn. “Dat stamt nog uit de tijd dat de meeste mensen alleen basisonderwijs kregen en de adel als enige naar het voortgezet onderwijs ging. Dat veranderde weliswaar in de negentiende en twintigste eeuw omdat we als maatschappij steeds meer behoefte kregen aan mensen die anders opgeleid waren, maar we bleven toch vasthouden aan die harde scheiding tussen de lagere- en middelbare school. Sterker: we gingen die breuk extra benadrukken met een toets. Daarmee ontkennen we feitelijk dat de ontwikkeling van jonge mensen zichzelf niet onderbreekt. Dat het een doorlopend geheel is.”
Los van de onwenselijkheid van zo’n harde knip is het volgens Bransen ook onterecht dat we denken dat je met een toets kinderen op een objectieve manier zou kunnen selecteren voor het vervolgonderwijs. “Toetsexpert Karen Heij heeft heel duidelijk aangetoond dat dat niet kan. Eigenlijk weet je als docent amper wat je meet met een toets. We kijken nu bijvoorbeeld vooral naar rekenen en taal. Maar dat is veel te beperkt. Hoe kun je nou denken dat je op basis van prestaties op zo’n beperkt domein iets kunt zeggen over de toekomstige ontwikkeling van kinderen?”
Maar kinderen verschillen toch van elkaar? Is het dan niet fijn voor ze om les te krijgen met klasgenoten die op hen lijken? “Dat Pietje zich anders ontwikkelt dan Klaasje is evident”, zegt Bransen. “Maar dat verschil is niet opeens weg als je kinderen gaat vastpinnen op een bepaald onderwijsniveau. Ook op een gymnasium verschillen de kinderen enorm van elkaar. Die zullen op sommige cognitieve punten weliswaar een vergelijkbare route lopen, maar de verschillen blijven; je hebt daar ook uitgesproken alfa’s en uitgesproken bèta’s. Je zult je als leraar toch tot iedere leerling moeten verhouden.”
Wat Bransen zorgen baart is niet zozeer dat we die verschillen zien en er iets mee doen, maar dat we denken dat we op basis van die verschillen kinderen kunnen categoriseren. “Als je kinderen indeelt in een bepaalde categorie, dan gaan ze zich daar mee identificeren. Dan krijg je dat de vmbo-leerlingen dingen gaan zeggen als, ‘daar ben ik te dom voor, dat is allemaal politiek, dat moet je niet aan mij vragen’. Terwijl de kinderen op het gymnasium zich alvast gaan identificeren als de nieuwe elite. Feitelijk hebben we onze klassen- en standenmaatschappij verruild voor een meritocratische tweedeling, waarbij onderwijs, zoals Louise Elffers terecht zegt, het grote verschil maakt. In plaats van de adel, de mensen met het nieuwe geld en de arbeiders, hebben wij nu de hoog- en laagopgeleiden.”
Hij vreest dat dit verdere polarisatie in de hand zal werken. “Als mensen voortdurend horen dat ze bij de lager opgeleiden horen, en dat ze dús dom zijn, dan kun je er op rekenen dat ze zich ook zo gaan gedragen: ‘wij zullen eens laten zien hoe dom we zijn’”
“Ik ben de laatste tijd bezig met het idee dat te veel mensen in deze samenleving denken dat we ofwel een roof- ofwel een prooidier zijn”, vervolgt hij. “Ik zou dat anders willen. Ik wil heel graag dat wij elkaar als roedeldieren gaan zien. Eigenlijk zit die houding bij de mens ingebakken maar in de huidige neoliberale cultuur krijg je toch steeds het idee dat wij met elkaar in competitie zijn. Ons schoolsysteem versterkt deze manier van denken. Daar moeten we vanaf.”